zondag 2 augustus 2026

In het midden der gemeenschap


"In het midden der gemeenschap is het waar ik vrede vind ... "

Het lied is talloze keren gezongen en ze vormt één van de kernen van het apostolische gedachtengoed. De gemeenschap als een oefenplaats; de plek waar verschillende generaties elkaar treffen en waar we onze apostolische manier van leven aan elkaar kunnen bewijzen, ook als de verschillen lastig zijn.

Het is een beeld dat diep is verankerd. Waar vind je een plek waar verschillende generaties elkaar treffen en die zich verbonden voelen door eenzelfde ideaal.

Nou, dat is niet zo moeilijk hoor: word lid van een politieke partij of van een sportclub en je hebt hetzelfde fenomeen te pakken: oud en jong vormen samen een geheel en voelen zich met elkaar verbonden, door een politiek ideaal of door de liefde voor een bepaalde sport ... Het is geen exclusieve eigenschap van apostolische gemeentes.

Hiermee wil ik niets afdoen aan de waarde van een gemeenschap van mensen. Sterker, ik wil vooral benadrukken hoe zinvol het is om deel uit te maken van een dergelijke groep. Het is leerzaam, het geeft geborgenheid en, niet onbelangrijk, vriendschappen. Dat er ook altijd weer gedoe is en onderlinge spanningen, hoort hier natuurlijk bij en ook die processen zijn bijzonder leerzaam. 

Mits...

De groep bereid is om hier ook lering uit te trekken.

Men bereid is om het conflict aan te gaan met als doel het ook samen weer op te lossen.

En zo kan ik nog wel een paar belangrijke voorwaarden noemen om de groep als lerende omgeving zinvol te doen zijn.

De andere kant is ook waar. Een groep kan ziekmakend zijn. Een groep kan bedreigend zijn. Een groep kan discriminerend zijn. Het onderdeel zijn van een groep, of dit nu een apostolische gemeenschap, een sportclub, een politieke vereniging is, is géén garantie dat de groep jou als individu en als groep doet groeien.

De pijnlijke werkelijkheid is dat juist het apostolisch genootschap langere tijd als groep alleen een veilige plek was voor degenen die bereid waren om zich aan de strenge normen van deze groep te onderwerpen. De sociale controle was sterk. Buitenbeentjes, buitenmiddelpuntige leden, mensen met een krachtige (afwijkende) mening, ze verdwenen ofwel geruisloos uit beeld ofwel ze hielden zich stil en doken een beetje in elkaar. Alleen de krachtigen bleven overeind, maar wisten ook dat ze nooit een kans hadden om bijzondere verantwoordelijkheden te verkrijgen binnen de gemeenschap. 

Ik vermoed dat Renske Doorenspleet met dit beeld voor ogen haar boek "Apostelkinderen" heeft geschreven.

Juist daarom is het zo belangrijk dat we nu leven in een tijd waarin al die interne verworvenheden weer eens tegen het licht worden gehouden. Dat we nog eens heel goed bij onszelf nagaan waar het nu eigenlijk om gaat. Dat we onderkennen dat vele, vaak vastgeroeste opvattingen weliswaar zeer vertrouwd zijn en daarom veilig voelen, maar voor degenen die deze geschiedenis niet in zich hebben als vervreemdend worden ervaren.

Een voorbeeld. Een collega van mij woonde een keer een eredienst bij en hij vertelde mij hierover. De belangrijkste terugkoppeling was voor hem dat de dienst nogal militaristisch op hem was overgekomen. Hij had nog niet eerder een dienst meegemaakt waar de deelnemers om de haverklap en altijd op nadrukkelijke uitnodiging, waren gaan staan: bij binnenkomst van de voorganger, bij het zingen van een lied, bij het verwelkomen van een nieuw lid, bij een gebed, bij het afscheid bij het einde van de dienst. De boodschap van die ochtend was aan hem voorbij gegaan.

We zullen onszelf in belangrijke mate opnieuw moeten uitvinden. De traditionele gemeenschap als oefenplaats zal zich moeten verhouden tot de activiteiten waarbij een willekeurige groep mensen bijvoorbeeld een wandeling samen maakt of gezamenlijk een paar weken een tuin onderhoudt. We zullen ons moeten realiseren dat we iedere dag, ieder moment opnieuw een ontmoeting met een ander kunnen hebben. Dat we, ook al is dat soms heel tijdelijk, steeds weer een verband met elkaar kunnen vormen.

En ja, de belangrijkste vraag ligt hierbij bij mezelf: ben ik bereid om uit mijn eigen vierkante wereldje te stappen en durf ik ook echt dit licht te ontdekken in ieder, altijd .... Een leven in liefde met mijn armen zo wijd als de hemel ... Dan ben ik echt op zoek naar die gemeenschap waar mensen, hoe ze ook verschillen, samenkomen ...

Brandbrief


Het is alweer enige maanden geleden en de hier opvolgende golven zijn ook tot rust gekomen: 

de brandbrief. 

Een groepje verontruste broeders en zusters publiceerde, zoals het door hen werd genoemd, een brandbrief waarin door hen de zorgen over het genootschap en haar ontwikkelingen werden opgesomd. Ze waren duidelijk thuis in de marketing en wisten slim gebruik te maken van hun netwerk want in zeer korte tijd wisten ze de brief te verspreiden en haar boodschap binnen de lokale gemeenschappen zichtbaar te maken. Ook werd de mogelijkheid geboden om de brief digitaal te ondertekenen, wat door een grote groep ook daadwerkelijk werd gedaan. 

Het was voor ons genootschap een geheel nieuw verschijnsel: een publiek uitgesproken protest en een oproep aan anderen om dit protest te delen. Een oproep om invloed te krijgen op het bestuur. Een oproep in onversneden taal: er werd gekozen voor een conflict.

Nu kan ik me, in de geschiedenis van het Apostolisch Genootschap, één moment herinneren dat er voor iedereen voelbaar een conflict ontstond. Dat was op het moment dat de toenmalige apostel, L. Slok, besloot om een confirmatie van een grote groep jongeren geen doorgang te laten vinden. Het was zijn verzet tegen de moderniseringen in de samenleving die ook het genootschap binnen dreigden te komen. Hij gebruikte zijn invloed, en die was binnen de gemeenschappen en binnen de gezinnen zeer groot, om de deur hiervoor te sluiten. Het genootschap keerde zich (verder) naar binnen. Voor mij persoonlijk was de consequentie dat ik mijn haardracht kort moest houden (de norm was dat jongens lang(er) haar hadden) en dat ik op zondag in pak naar de eredienst ging. Vele apostolische jongeren uit die tijd herinneren zich de eenzame positie die ze vaak op school, noodgedwongen, moesten innemen: je zag er anders uit, op zondag geen sport maar naar de kerk en ook schoolfeestjes waren lastig want er was altijd wel iets te doen in het kerkgebouw.

Veel minder zichtbaar was dat deze democratiseringsbeweging ook op andere plekken in het genootschap opgang maakten. In Leiden was de daar werkende voorganger, Menges, een stuwende kracht voor de studentengroepen die volop nadachten over de noodzakelijke ontwikkelingen binnen het genootschap en, ongetwijfeld, toen ook het ontbreken hiervan. Het resulteerde in een machtsstrijd tussen L. Slok en deze voorganger waardoor herder Menges uiteindelijk het veld moest ruimen. Onder de druk van dit conflict, stemde L. Slok uiteindelijk toe in het moderniseren van het jeugdbeleid.

De verschillen met de gebeurtenissen rond de brandbrief zijn enorm.

Waar indertijd (we hebben het over de jaren '70 van de vorige eeuw) het overgrote deel van de broeders en zusters kritiekloos de lijn van de apostel volgden, werd nu met naam en open vizier hardop een kritisch geluid naar buiten gebracht. Waar toen het conflict feitelijk op de achtergrond en in zoveel mogelijk stilte werd uitgevochten (de hele geschiedenis rond herder Menges werd mij pas vele tientallen jaren later duidelijk), werd nu, ook door het bestuur, gekozen voor maximale openheid: de bestuursleden zochten zoveel mogelijk de gemeenschappen in het land op om met elkaar in debat te gaan.

Ben ik dan enthousiast over de brandbrief?

Neen.

Ik beschouw het schrijven, de publicatie en het oproepen tot verzet als een waardevolle, maar ook zeer ruwe en onvolmaakte poging om het genootschap voor en door de leden te doen zijn. Het blijft echter een grof middel omdat, ik zeg het maar even populair, de roependen zodoende alle aandacht krijgen en de (toch echt overgrote deel) zwijgende meerderheid ongehoord blijft. Als het bedoeld was als oproep tot dialoog, dan heeft het bestuur de boodschap op een waardige en democratische wijze opgepakt. Er moet dan ook worden geconstateerd dat de rol van de schrijvers hiermee heeft voldaan aan de doelstelling en dat hen geen andere keuze past dan weer een stap terug te doen.

De gebeurtenissen leren ons nog een waardevolle les waar we de briefschrijvers óók dankbaar voor mogen zijn: we zullen nog heel hard moeten werken aan een structuur waarin de leden actief en betrokken hun invloed op het beleid kunnen doen laten gelden.