"Tussen 1946 en 2001 groeiden duizenden Nederlandse kinderen op in een verborgen, parallelle wereld. Ze vormden een gesloten gemeenschap met zo’n 30.000 ooms en tantes, broeders en zusters, en één Vader die volledige overgave eiste: de Apostel. De groep had dagelijkse bijeenkomsten, een eigen taalgebruik, een intensief jeugdprogramma, een bijzondere levenstaak, aparte regels en rituelen. Overdag functioneerden de kinderen in het zichtbare leven in Nederland. ’s Avonds en tijdens de weekenden leefden ze in een voor buitenstaanders onzichtbaar universum."
Zo kondigt de uitgever de inhoud van het boek van Renske Doorenspleet aan. En natuurlijk begin ik eerst te puzzelen op haar naam. Dat is wat apostolischen doen. Zoeken naar lijntjes. De naam Doorenspleet is mij bekend: de zus van mijn vader was getrouwd met een Doorenspleet, oom Lex. Bovendien was in de gemeente waar mijn opa en oma kerkten een voorganger die ook Doorenspleet heette, oom Otto, een oom weer van oom Lex. Maar verder kom ik niet. Renske is mij onbekend.
Het verhaal van haar komt mij daarentegen in vele opzichten bekend voor. De verhalen, de teksten, de ervaringen. Ja, ook ik was een Apostelkind. Ik moet hier echter direct bij opmerken dat die hele term "Apostelkind" mij dan weer onbekend is. Ik ben tenminste nooit zo genoemd, zover ik mij kan herinneren. Ik herinner me alleen een kinderlied waar de term in wordt gebruikt, maar bij mij is dit een regel uit een kinderlied gebleven en niet meer dan dat. De apostel heb ik ook nooit ervaren of benoemd als "vader" en het kussen van zijn foto, één van de scenes in het boek, is voor mij ondenkbaar. Blijkbaar had de apostel, alhoewel erg belangrijk in ons leven, toch een andere plek in ons gezin.
Misschien waren wij ook niet zo'n doorsnee apostolisch gezin.
Ik worstel dan ook met enerzijds een voortdurende herkenning en tegelijkertijd, naarmate het boek vordert, een toenemend gevoel van vervreemding. Soms laait er zelfs, tot mijn eigen verbazing, woede op: mijn geschiedenis, al die mensen die mij lief zijn, mijn herinneringen, mijn verhalen, ze zijn opeens verdacht en er lijkt een stinkend laagje overheen te zijn gegoten.
Ik krijg de neiging om hen, mijn ouders, grootouders en al die broeders en zusters die mij zo dierbaar zijn, te verdedigen en realiseer me dat dit niet veel zin heeft. Het is háár verhaal en niet het mijne. Ik zal haar geschiedenis moeten respecteren anders wordt het nog een naargeestige vertoning, modder gooien over en weer.
Misschien toch dit.
Opvallend aan het boek van Doorenspleet is dat het volledig draait om de apostel en wel specifieker L. Slok en, later zijn zoon, J.L. Slok. Hiermee volgt ze een bekende en, wat mij betreft, beperkende, apostolische traditie. Apostolische geschiedenisboeken, ook de laatste van Brand, kenmerken zich doordat het niet de geschiedenis is van het apostolische werk, maar van individuele apostelen. Een kwetsbare benadering, dat Doorenspleet ook wel laat zien in de vaak schrijnende voorbeelden uit haar persoonlijke leven.
Als je mij vraagt naar mijn apostolische geschiedenis, of, zoals dat tegenwoordig wordt genoemd, mijn geloofsverhaal, dan gaat dat niet over Slok, maar over mijn opa en oma Zwart. Twee eenvoudige mensen die geen van beiden de lagere school hadden afgemaakt. Over het onwaarschijnlijke verhaal van mijn opa en hoe hij, na een getraumatiseerde jeugd als zwerfjongere, rust vindt in zijn geloof. Een eenvoudig geloof waarin hij de liefde als grondtoon in zijn leven wilde laten zijn. Hoe hij en mijn oma hun vastlopende huwelijk weer nieuw leven in wisten te blazen. Hun verhalen gingen niet over de apostel, maar over hoe de broeders en zusters van de gemeenschap hen een veilige haven boden. Over vriendschappen met anderen.
En ze stonden voor iedereen klaar, apostolisch of niet-apostolisch: mijn oma ging op 80-jarige leeftijd met haar buurvrouw (een jonge vrouw van een jaar of dertig en analfabeet) alsnog de lagere school afmaken, zodat haar buurvrouw kon leren lezen.
Die voorbeelden, die deden het voor mij.
En apostel Slok, de apostel van mijn jeugd, stond voor mij, eerlijk gezegd, heel ver weg. Hij kwam eens in de zoveel jaar in de gemeente en dan was het vol en, ja, er waren veel emoties. Maar vervolgens was hij weer jaren uit beeld en verdween hij voor mij weer helemaal naar de achtergrond.
De apostolische traditie is veel groter dan alleen het verhaal van een individuele apostel. Het is het verhaal van vele, vaak eenvoudige gelovigen. Ook die verhalen zijn van belang en mis ik in het boek van Doorenspleet. Zoals iedere kerkelijke traditie vele lagen kent: theologisch, dogmatisch, maar ook het vlechtwerk van talloze ongekenden die in hun dagelijks leven handen en voeten geven aan al die taal. Die worstelen met de tegenstellingen en de tegenstrijdigheden en hier steeds unieke antwoorden op geven.
Ik heb ze gezien en meegemaakt. Ik ben hier deel van.
Dat is mijn geschiedenis.
donderdag 9 april 2020
zondag 23 februari 2020
Maar het meeste van deze is de liefde...
Vanmorgen passeerde ik op mijn fiets het gebouwtje van het Leger des Heils. Het was vandaag een donkere, sombere dag dus de lichten in het pand branden. Hierdoor kon ik zien hoe in een zaaltje een kerkdienst werd gehouden. Ik zag een vrouwelijke voorganger die haar armen wijd uitspreidde, zoals gebruikelijk is om een zegen uit te spreken. In het zaaltje stonden enkele tientallen mannen en vrouwen wat ongeordend om de vrouw heen. Allemaal keken ze naar de vrouw.
Het beeld ontroerde me.
"Zo blijven geloof, hoop en liefde, deze drie. Maar het meeste van deze is de liefde...", zo schoot het door mijn hoofd.
In het zaaltje hadden zich mensen verzameld die over het algemeen nergens meer terecht konden. Vaak dakloos, vaak met een lange geschiedenis van psychoses en opnames, vaak werkloos en, zoals dat dan heet, met afstand tot de arbeidsmarkt (een manier om uit te drukken dat je eigenlijk kansloos bent), vaak zichzelf onmogelijk gemaakt door drugs- of alcoholgebruik en heel vaak verstoten door hun naasten omdat die het ook niet meer weten na een jarenlange strijd tegen diezelfde psychoses of drugs of alcohol of armoede of een combinatie hiervan. Of geen contact meer met hun naasten omdat ze zich schamen voor wie ze zijn of wie ze geworden zijn.
Wat voor geloof rest je nog als je eenmaal in zo'n zaaltje van het leger des heils terecht bent gekomen? Is het die strohalm dat je daar toch weer mensen vindt die een poging met jou willen wagen? Mensen die je een maaltijd geven. Een bed voor de nacht en kleding als de vodden om je lijf niet meer te herstellen zijn? Mensen die naast je gaan staan omdat je medemens bent?
Hopen kan ik ergens nog begrijpen. Alhoewel, hoe velen in dat zaaltje zullen alle hoop al hebben laten varen? Hoe velen zullen alleen nog cynisch naar de wereld om hen heen kijken omdat ze al zo vaak teleurgesteld zijn en de ene na de andere poging tot veranderen zagen mislukken?
In de film "clockwise" verzucht John Cleese, als het onmogelijk is dat hij nog verder wegzakt in de door hemzelf opgeroepen ellende, dat er niets dodelijker is dan die eeuwige hoop. Hoop dat het ooit toch weer goed zal komen en waardoor je steeds maar weer verder gaat...Dat is, denk ik, het moment dat cynisme het overneemt van de hoop.
En dan die liefde in een wereld waar ijverige gemeente-ambtenaren de bankjes in het park uitrusten met een stalen leuning in het midden, zodat het onmogelijk wordt erop te gaan liggen. Dat doen ze overigens niet zomaar, meestal wordt er luidkeels om gevraagd. Door ons. De mensen die 's avonds in hun warme huizen zitten. Want onze liefde gaat vaak niet verder dan onze eigen voordeur en de mensen die hier toegang toe hebben.
En de overtuiging dat die man of vrouw in het park het toch eigenlijk aan zichzelf te danken heeft. Dat het ons nooit zal gebeuren...
Geloof, hoop en liefde... het stelt allemaal helemaal niks voor als we er zelf geen handen en voeten aan geven. En dat deed deze voorganger bij het leger des heils. Ze spreidde haar armen en zegende de mensen tegenover haar. En ze gaf hen een dak boven het hoofd en te eten en kleding als ze dit nodig hadden.
Het is soms een heel dun draadje wat ons nog verbindt met de woorden "geloof, hoop en liefde". En niet zelden heet dit draadje het leger des heils...
donderdag 20 februari 2020
Over het bestaan van God en de onvolkomenheid van taal.
(een tekst die ik 2 jaar geleden tijdens een vakantie in Engeland schreef)
Het is vandaag zondag en omdat we op vakantie zijn, staan we met onze camper op een camping in het Peak district in Midden Engeland. De camping bevindt zich onder de “Black Hill”. Een heuvel die hoog boven de andere heuvels in de omgeving uitrijst. De naam “Black Hill” is een vreemde. Weliswaar zie je aan de top wat donkere randen, maar de heuvel zelf is groen. Dit komt, zo vertelde een veldwachter die we op onze wandeling omhoog tegenkwamen, omdat enkele jaren geleden de heuvel met man en macht door natuurbeheerders is bezaaid met allerlei soorten gras, mos, heide en zo voort. Dit was noodzakelijk omdat de kenmerkende zwarte aarde, die de heuvel haar naam gaf, door erosie letterlijk dreigde te verwaaien. De operatie heeft miljoenen gekost: onder andere doordat helikopters werden ingezet om het zaaigoed te verspreiden en met veel water te besproeien. Tot opluchting van de natuurbeheerders sloeg de nieuwe beplanting aan, zodat de erosie kon worden gestopt. De prijs die moest worden betaald was dat de “Black Hill” niet langer “black” was. De verwachting is overigens dat over enkele decennia de heuvel, doordat de beplanting af zal sterven, uiteindelijk weer haar naam eer zal aandoen. Hopelijk wordt het dan weer onderdeel van een natuurlijk proces waarbij de heuvel gedurende enkele maanden zwart is en vervolgens weer vergroend door opnieuw opkomende beplanting.
De veldwachter gebruikte deze hele aanloop om ons uiteindelijk te verzoeken om onze honden aangelijnd te houden. Het is midden in het broedseizoen en de honden laten de vele vogels die in de nabijheid van het pad een nest hebben gemaakt, opschrikken met als risico dat ze niet meer naar hun eigen nest kunnen of durven terugkeren. De streek herbergde vele vogels: kwartels, fazanten, buizerds, valken, maar ook verschillende uilen.
Ik gebruik de hele aanloop om jullie op dit ogenblik aan te kijken. Ik weet zeker dat er niemand is die dit verhaal heeft gelezen of aangehoord, die niet in zijn of haar hoofd beelden heeft gekregen bij de tekst. Ik weet ook zeker dat als ik in staat zou zijn om al de beelden die zich in jullie hoofden hebben gevormd, op een muur te projecteren, dit net zoveel verschillende beelden zou opleveren als dat er luisteraars/ lezers zullen zijn.
Dit zal niemand verbazen.
We vertalen tekst dus in beelden en we accepteren dat deze beelden in die zin onbetrouwbaar zijn, dat ze vrijwel nooit exact dezelfde beelden zullen opleveren als dat een verteller voor ogen heeft. En toch zijn we gezamenlijk in staat om een verhaal zoals hierboven vertelt, te volgen. We begrijpen de verteller. Niemand zal mij onderbreken met een opmerking in de geest van: “wat bedoel je precies met “Black Hill”? Tenzij iemand natuurlijk de Engelse taal niet machtig is. Voor hen: “Black Hill” betekent “Zwarte Heuvel”. Taal is blijkbaar zo krachtig dat we bij woorden die we gebruiken, beelden kunnen vormen die, ondanks dat deze beelden voor luisteraars onderling sterk kunnen verschillen, toch een gezamenlijk, samenhangend verhaal kunnen creëren.
Voorwaarde lijkt hierin wel te zijn dat we onderling blijkbaar een afspraak hebben over het prototype van een onderliggend beeld. Ik bedoel dit: als ik zeg “hond”, dan levert dit onmiddellijk een beeld op, namelijk die van een hond. De één denkt echter aan een Duitse Herder, een ander aan een Teckel, weer een ander aan een blonde Labrador, en zo voort. We herkennen al deze beelden als “Hond”. Als een luisteraar geen enkel idee heeft wat er met “hond” wordt bedoeld, dan ontstaat er een onmiddellijke spraakverwarring. Net zo goed als in het bovenstaande verhaaltje de lezers die de Engelse taal niet machtig zijn, al snel voor een raadsel staan: wat is een “Black Hill”? Zij haken af, tenzij ze in de mogelijkheid zijn om mij te onderbreken en mij de hamvraag in deze te stellen: “wat is…?”.
Tot zover het gebruik van taal voor heel concrete onderwerpen. Een hond of een heuvel kun je beschrijven en hierover kun je vrij gemakkelijk met elkaar tot een afspraak komen. Taal gebruiken we echter ook om minder concrete zaken te beschrijven: “Liefde”; “trouw”; “woede”; “openheid” en ga zo nog maar even door. Wat deze woorden kenmerkt is dat er geen “vleselijke” beschrijving mogelijk is. Je kan ze niet tekenen, tenzij je gebruik maakt van de mogelijkheid om te abstraheren. Liefde wordt vaak verbeeld door een hartje. Maar als je deze symboliek niet kent, dan zal een hartje je niet op weg helpen naar het begrip “liefde”.
Er is nog een complicerende factor. Taal is nooit waardevrij. Ze is altijd gekoppeld aan persoonlijke ervaring. Neem maar weer het begrip “hond”. Voor mij wordt een hond geassocieerd met gezelligheid en drukte. Plezierige associaties, mede doordat ik al mijn hele leven op een prettige manier omringt ben door honden. Een ander kan echter een heel andere ervaring hebben, bv als je uit een gezin komt waar nooit honden aanwezig waren en je ouders had die zelf een beetje angstig waren voor honden. Als je dan ook nog eens een keer in een hoek gedreven bent door een waakse, hard blaffende hond …..nou, dan zal je beeld van een hond geheel anders gekleurd zijn dan de mijne.
Als dit geldt voor hele concrete woorden als “hond”, dan gaat dit zeker ook op voor meer abstracte begrippen. Denk aan “liefde”. Voor de meesten van ons hangt de kleuring van dit begrip sterk af van onze persoonlijke geschiedenis: mijn opvoeding, vrienden, de kerk waar ik in ben opgegroeid, mijn relatie met mijn vrouw en met mijn kinderen en ga zo maar door. Dit alles heeft invloed op de wijze waarop het begrip “liefde” voor mij betekenis heeft. Maar dat hier oneindig veel variaties in bestaan, behoeft volgens mij geen verdere uitleg. Waar voor mij het begrip “liefde” staat voor iets dat wezenlijk is in mijn leven en wat voor mij een basis is waar ik op kan bouwen, zijn er ook mensen voor wie het begrip “liefde” inhoudsloos is of zelfs cynische reacties op kan roepen: iets waar je ver weg van moet blijven.
En zo kom ik op het onderwerp waarover ik deze tekst begonnen ben te schrijven: het bestaan van God.
De afgelopen vijftien jaar mocht ik binnen mijn kerk met regelmaat op zondag een eredienst verzorgen. Voor wie mij niet kennen: ik ben lid van het Apostolisch Genootschap. Een kerk die behoort tot de volgroeide boom van Apostolische kerken. Het Apostolisch Genootschap heeft zich in dit bonte gezelschap het meest ontwikkelt in de richting van een vrijzinnige kerk, waarbij van oudsher steeds al veel accent ligt op het humanitaire karakter van haar boodschap en ook dat er een sterke focus is op het “hier en nu”. Traditioneel is er binnen deze kerk een zekere neiging om zich af te zetten tegen meer traditionele kerken, alhoewel ik hier onmiddellijk bij moet opmerken dat de kritische geluiden die hierbij worden gemaakt zich weinig door feitelijke kennis over de vele, verschillende kerken gelegen laten liggen. Deze opmerkingen zijn echter van belang in het kader van het “niet-waardevrij-zijn” van taal.
Om te beginnen het woord “kerk”. Dit levert, ik weet het zeker, gefronste wenkbrauwen op bij veel eventuele Apostolische lezers. Het adagio is sinds mijn jeugd geweest: “we zijn geen kerk maar een werk”. Dat er in vele kerken hard wordt gewerkt en hier op zijn minst zeer interessante ontwikkelingen zichtbaar zijn, daar wordt gemakshalve nogal eens maar aan voorbij gegaan. Op welke wijze het Apostolisch Genootschap zich dusdanig onderscheid van omliggende kerken, zodat het woord kerk niet langer gerechtvaardigd zou zijn, het is mij ten ene male onduidelijk. Om die reden gebruik ik toch maar het woord “kerk”, ook omwille van de leesbaarheid voor niet-apostolische lezers.
Alhoewel het kruisbeeld, als Christelijk symbool, binnen het Apostolisch Genootschap in onbruik is geraakt, wordt het beeld wel gebruikt om haar twee dimensies in haar boodschap uit te drukken. De horizontale as staat hierbij voor de intermenselijke relatie en de verticale voor de relatie met God. Inhoudelijk is interessant dat velen binnen het Apostolisch Genootschap moeite hebben om hierin een eenheid te ontdekken: binnen de kerk zijn leden die zich volledig richten op de horizontale as en zij gaan soms zelfs zover dat het bestaan van God wordt ontkend. Feitelijk heeft het Apgen zich voor hen uiteindelijk ontwikkeld tot een humanistisch denkkader. Veelzeggend is dat de term “religieus humanisme” de laatste tijd wel wordt gebruikt om de geloofsleer van het Apostolisch Genootschap te kunnen duiden. Minstens zo veelzeggend is dat er binnen deze kerk blijkbaar voldoende ruimte is om onderling dergelijke grote tegenstellingen te gedogen.
Het is dus binnen het Apostolisch Genootschap niet gemakkelijk om over God te spreken. Enerzijds omdat er leden zijn die het bestaan van God ontkennen en iedere verhandeling over de relatie met God als overbodig of onzinnig beschouwen; anderzijds omdat er ook nauwelijks intern een coherent beeld is wat er precies met God wordt bedoeld. Dat laatste is bijzonder. Alhoewel er al vele decennia geleden afstand is genomen van een theïstisch Godsbeeld (dit is een Godsbeeld waarbij God als persoon zitting heeft in de hemel en het aardse en dus ook jullie en mijn leven direct beïnvloedt), blijkt dit toch nog bij vele leden het dominante beeld te zijn wanneer er over God wordt gesproken. Mede omdat wordt verondersteld dat dit een Godsbeeld is dat dominant is binnen de kerken, wordt dit Godsbeeld door vele leden nadrukkelijk afgewezen. Hierbij wordt er volledig aan voorbij gegaan dat in vrijwel alle kerkelijke denominaties geworsteld wordt met dit klassieke Godsbeeld en dat hier door velen al heel andere en vaak zeer inspirerende beelden voor in de plaats zijn gekomen.
Sommige voorgangers proberen het “probleem” God te vermijden door over te gaan op andere woorden. Sinds enkele jaren is bij de aanhef van het gebed bij hen “Bron van Zijn” in zwang geraakt (en wordt het gebruik van het woord God vermeden). Omdat niemand van hen de moeite neemt om in woord of schrift tot enige uitleg over deze woordkeus te komen, blijft dit woordgebruik beperkt tot een klein groepje. Bij mij roept de zinssnede geen enkele waardevolle associatie op: het is in mijn optiek een geforceerde poging om een noodzakelijk gesprek over het bestaan van God uit de weg te gaan.
God is, als het niet een als een persoon aan te wijzen existentie is, een abstractie. En daar begint voor mij al direct het probleem bij het gesprek over God. Hoe leg je aan een ander uit wat dit begrip voor mij betekent? Het is nota bene een begrip dat fundamenteel onderdeel is van mijn denken en zijn. Mijn Godsbeeld is ook niet deïstisch (dit is een Godsbeeld waarbij God weliswaar verantwoordelijk is voor de Schepping, maar die zich, nadat de Schepping is voltooid, zich niet meer met zijn Schepping bemoeit). Hoe kan het anders dat ik een relatie ervaar met God? Hoe kan het dat ik zie dat God nog altijd werkzaam is in de Schepping?
Ik keer terug naar het begin van dit artikel. Hierin ontdekten we dat, alhoewel we bij woorden verschillende beelden kunnen hebben, we toch in staat zijn om een coherent verhaal te horen. Ondanks dat de één bij het woord “hond” denkt aan een teckel en de ander aan een cocker spaniël, heeft dat geen onmiddellijke consequentie voor het volgen van het verhaal dat wordt verteld. Dat kwam, zo betoogde ik, omdat we blijkbaar gezamenlijk een duidelijk beeld hebben van een prototype van een hond. Er is een gezamenlijke basis. Het woord God roept blijkbaar, in ieder geval binnen het Apostolisch Genootschap, nog veel tegenstrijdige beelden op.
Het Apostolisch Genootschap is een “talige” kerk. Het gesproken, geschreven en gezongen woord zijn cruciale onderdelen van iedere eredienst. Veel minder ontwikkelt zijn onderdelen waarin taal geen of minder een rol speelt: stil gebed; muzikaal deel zonder woorden; ruimte voor meditatie. Soms wordt hiermee geëxperimenteerd, maar het is nog nergens structureel onderdeel gaan uitmaken van een eredienst. Bijzonder is wel dat, ondanks dat het ApGen een talig gebeuren is, er weinig sprake is van onderling debat of andere vormen van gedachtenuitwisseling. Ook dit blijft beperkt tot kleine groepjes, waar overigens dan wel weer alle ruimte voor is. Het maakt echter geen onderdeel uit van de “main stream”. Onduidelijk is voor mij of hier bij de leden ook een behoefte ligt. Dit lijkt sterk afhankelijk te zijn van de cultuur binnen een lokale gemeente.
Het meest krachtig wordt de boodschap van mijn kerk verwoord in de zogenaamde “weekbrieven”. Een weekbrief is een schrijven (meestal) door de bestuurder van het Apostolisch Genootschap, de apostel of door één van zijn naaste medewerkers. Dit weekschrijven staat centraal in een eredienst. Soms wordt er een bijbels thema aangehaald, soms een gebeurtenis uit de actualiteit. Veelal leidt het schrijven tot een bespiegeling vanuit een apostolisch denkkader. De teksten zijn soms normatief, maar laten altijd heel veel ruimte voor een eigen interpretatie. Deze eigen interpretatie kan, tot op zekere grenzen, ook worden gemaakt door degene die tijdens de eredienst voorgaat. Het staat hem of haar vrij eigen accenten uit het weekschrijven naar voren te halen of juist niet. Er is dus veel vrije ruimte. Juist omdat de tegenwoordige apostel in zijn weekschrijven minder nadrukkelijk één centraal thema in een weekschrijven uitwerkt, maar juist meerdere, is deze vrije ruimte de afgelopen jaren sterk toegenomen. Het (mogelijk onbedoelde) effect is dat erediensten binnen het ApGen een enorme variëteit kennen, zeer afhankelijk van de degene die gevraagd is deze eredienst te leiden.
Tegelijkertijd worden er nadrukkelijk pogingen ondernomen om te komen tot een soort kader. Zo is recent het zgn. “geloofsverhaal” gepubliceerd in een poging om tot een gezamenlijke overeenkomst te komen wat betreft het Apostolische gedachtengoed. Wonderlijk is natuurlijk direct weer dat dit geloofsverhaal slechts marginaal aandacht krijgt in de wekelijkse erediensten. Ik heb de tekst natuurlijk gelezen en er staat eigenlijk niets in waar ik het niet mee eens zou kunnen zijn. Er is echter één probleem: het is niet mijn geloofsverhaal. Mijn geloofsverhaal is zo vervlochten met wie ik geworden ben, door het pad dat ik gedurende mijn leven heb afgelegd en de mensen die ik hier heb ontmoet en van wie er velen waren die ofwel een stuk ofwel nog steeds met mij meelopen, dat ik dat alles gewoon niet los kan zien van mijn geloof. Het wonderlijke is dat wanneer ik spreek met mensen in mijn nabijheid over hun en mijn geloven, dan ontstaat er altijd iets van wederkerigheid. Er ontstaat verbinding op een heel ander niveau dan die van de taal op zichzelf. Ik raak er dan ook steeds meer van overtuigd dat juist die taligheid binnen het ApGen en haar neiging om alles met woorden te willen vangen, er paradoxaal genoeg wel eens ertoe kan leiden dat er juist afstand ontstaat. Zo ongeveer als Remco Campert het al eens verzuchtte:
“Hoe duidelijker ik het wil zeggen,
Hoe slechter ik uit mijn woorden kom.
Dit lijkt me een typisch verschijnsel van het één of ander.”
Denk maar eens aan het volgende. Het overkomt mij dat ik mensen ontmoet met wie ik direct, intuïtief een grote verbondenheid voel. Dat kunnen de momenten zijn dat je, tot je verbazing vaak, vaststelt dat je een heel intiem gesprek met iemand hebt gevoerd die je maar nauwelijks kent. Het overkomt me niet vaak en de keren dat het me overkwam, kan ik vrijwel altijd nog benoemen. Niet zelden betrof het mensen die ik naderhand nooit meer tegenkwam.
Dit gaat verder dan taal. Dit zit op een intuïtief niveau en ik denk soms wel dat we ons hier meer door laten leiden dan we zouden willen onderkennen.
Zou het met geloven niet ongeveer zo gaan? Dat je op momenten diep geraakt wordt door iets wat vrijwel onzegbaar is, maar wat heel diep in je ziel iets van herkenning oproept? Iets wat je energie geeft en in beweging zet? En dat zoiets niet eens zoveel te maken heeft met een “geloofsverhaal”?
Als ik luister naar alle activiteiten binnen het ApGen om gezamenlijk weer meer koers te krijgen, dan denk ik vaak bij mezelf: zou er nog wel eens iemand voorgaan in gebed of zou de groep die bezig gaat nog wel eens in zichzelf afdalen en door een stil gebed vragen om kracht en wijsheid?
Ik ben bang dat dergelijke gebeden niet zoveel meer voorkomen, waarmee we een belangrijk gebied dreigen af te sluiten in onze ontdekkingsreis.
Laat ik maar afsluiten want ook mijn taal is onvolkomen. In mijn hoofd zingt een nieuw mannenkoorlied en dat is, toch, veelzeggend:
“De liefde bidt je stilst gebed,
ze zingt je zuiverst lied,
vervult je tot je grenzeloos
van schijnbaar niets geniet,
ze breekt je hemel open,
vliegt voorbij je verste grens,
ze raakt je teerst verlangen,
ver voorbij je diepste wens,
en niets ontbloot je wezen,
tilt het hemelhoog als zij;
dus als ze in je hart belandt,
laat haar volkomen vrij.”
ze zingt je zuiverst lied,
vervult je tot je grenzeloos
van schijnbaar niets geniet,
ze breekt je hemel open,
vliegt voorbij je verste grens,
ze raakt je teerst verlangen,
ver voorbij je diepste wens,
en niets ontbloot je wezen,
tilt het hemelhoog als zij;
dus als ze in je hart belandt,
laat haar volkomen vrij.”
(Voorbij je liefste wens:
Tekst: Marcel Heerink
Muziek: Raymond Stoop)
zondag 26 januari 2020
Lucia for president
![]() |
| het martelaarschap van Sint Lucia - meester van kruisafname van Figdor, ca 1505. |
Het is niet gebruikelijk binnen het ApGen om heiligen te vereren.
Je kan betogen dat in vroeger tijden de apostel soms meer eerbied te verduren kreeg dan menselijkerwijs verwacht kon worden, maar die tijd ligt gelukkig ver achter ons. En, eerlijk is eerlijk, na hun overlijden werd van geen van de voorgaande apostelen hun graf een plaats van bezoek of verering. Ook worden er geen beelden opgericht of andere pogingen ondernomen om de levens en namen van deze mannen voor de eeuwigheid te bewaren.
De eeuwigheid is überhaupt een begrip waar apostolischen weinig mee hebben. Immers, Gods tijd is altijd nu en daar hebben we onze handen vol aan.
Waarom dan toch een afbeelding van een heilige?
Gewoon, omdat ik haar een stoer wijf vind.
Lucia, dat is de vrouw die je verschillende keren op de afbeelding voorbij ziet komen. Ze woonde in een stad op Sicilië, Syracuse.
Geheel naar de gebruiken van die tijd, werd voor haar een echtgenoot gezocht en gevonden. Lucia besloot echter om de bruidsschat onder de armen van de stad te verdelen.
Het was duidelijk geen huwelijk uit diepgaande compassie, want haar verloofde verbrak de relatie. Bovendien deed hij aangifte van de gebeurtenis en uitte hij zijn vermoeden dat Lucia wel eens een christen zou kunnen zijn. In die tijd een dodelijke beschuldiging.
Lang verhaal kort, Lucia werd veroordeeld om enige tijd in het plaatselijke bordeel te werken en dat vertikte ze. Sterker, het lukte niemand om haar naar dit huis van schande te slepen, zelfs een span ossen kreeg dit niet gedaan.
Ik weet niet helemaal zeker wat dit over Lucia zegt, maar een wonderlijk verhaal blijft het. Ook pogingen om haar te verbranden, mislukten jammerlijk. Ten einde raad werd er een zwaard door haar nek gestoken en toen was het gedaan met Lucia.
Ik vind het wel een soort humor dat ze hiermee de beschermheilige voor mensen met keelpijn is geworden...
Een mooi verhaal is ook waarom Lucia de beschermheilige van de blinden is. Een man probeerde Lucia te verleiden met zijn verliefde opmerkingen over haar mooie ogen. Diezelfde avond kwam er een pakketje bij deze man thuis, waarin door Lucia zelf, haar uitgestoken ogen en een briefje waarin zij hem vriendelijk verzoekt nu dan op te houden met dat gezeur over die ogen...
Zoals ik al zei, een stoer wijf. Zij had geen twitter of #metoo nodig om de mannelijke horde verbijsterd achter zich te laten.
Inmiddels wordt ze over de hele wereld vereerd en, zoals het een goed heilige betaamd, circuleren er minstens twee schedels van haar en de hoeveelheid botstukken zijn voldoende om een enorme reus van samen te stellen. Op het eiland San Giorgio bij Venetië hebben ze dan weer een compleet lichaam dat van Lucia zou zijn geweest.
Het doet er ook allemaal niet zo toe. Lucia liet de mannen van haar tijd zien dat ze niet van plan was om zich te voegen in hun naargeestige bedoelingen met vrouwen.
Alleen al daarom is ze het meer dan waard om herinnerd te worden.
vrijdag 22 november 2019
Op zoek naar God
Mijn woonplaats, Gouda, hangt momenteel vol met posters waarop een cursus "Op zoek naar God" wordt aangekondigd. De geïnteresseerde Gouwenaar wordt verwezen naar een website: www.cursusopzoeknaargod.nl
Het adres luistert nauw. Wanneer je per ongeluk www.opzoeknaargod.nl intoetst, dan kom je op een site van de NPO "first dates, perfecte match". Een programma voor reikhalzende alleenstaanden van alle leeftijden, op zoek naar de liefde van hun leven. De relatie met God is toch wat minder duidelijk.
Maar terug naar Gouda.
Als eyecatcher een jongere (om de één of andere reden willen kerken vooral jongeren aanspreken, dat geldt ook voor het ApGen) die een gewetensvolle vraag stelt, zoals "Als God bestaat, waarom zijn er dan ziektes?" of "waarom is er dan zoveel ellende?"
Dit rijtje is gemakkelijk uit te breiden naar alles hetgeen ons leven vult met hobbels, kuilen, doodlopende wegen, gebroken harten en ander leed.
Alsof het bestaan van God een soort garantie zou inhouden voor een leven op een roze wolk in een eindeloos genieten van de schoonheid van de schepping.
Ik vermoed of, eerlijk gezegd, ik hoop dat de mensen die hun geloof in God met zich meedragen het er echt wel over eens zijn dat dit beeld een nonsensbeeld is. Dat dit beeld niets, maar dan ook helemaal niets met God te maken heeft.
En ik vermoed dat het eindeloos herkauwen van dit beeld op dit soort reclameposters en andere uitingen niet erg helpt om te komen tot een realistischer beeld van God. Net zo goed als dat ik zo langzamerhand niet erg meer inga op de kleinerende opmerking dat "iemand niet gelooft in een mannetje met een lange baard op een wolkje in de hemel..."
Natuurlijk niet. Hou toch op.
Laat ik de vraag anders stellen: "Waar is God bij alle ellende?"
Nergens.
Tenzij ik er ben en iets ga doen om de ellende te verminderen.
Als ik, als wij geen handen en voeten, ogen en oren en een mond aan God willen geven, dan is hij domweg nergens. Dan is het koud en, inderdaad, alleen maar ellendig.
Zie ik het nog?
Als ik aan het graf van mijn moeder sta, dat zich, achter mijn rug een zaal vol met mensen heeft verzameld die mij, die ons nabij willen zijn?
Als ik op mijn werk een hele boze bewoonster spreek omdat ze al zolang last heeft van een lekkage in haar huis en één van onze technische mannen vandaag én de lekkage verhelpt, maar vooral deze boze mevrouw een prachtige bos bloemen geeft en zijn excuses aanbiedt omdat het zo lang heeft geduurd?
Als ik een oude man spreek die diep in de schulden dreigt te komen en niet meer weet hoe hij verder moet en ik er gewoon ben om hem te helpen?
Ben ik dan "God"? Zijn wij dan "God"? Nee, natuurlijk niet. Maar we kunnen God wel helpen en hem zo groot maken zodat de wereld minder ellendig is.
Is er dan nooit meer ellende?
Zucht...
Misschien toch maar eens een cursus eens volgen?
dinsdag 12 november 2019
Een boeiend gesprek.
Het aardige van een gesprek is dat je geconfronteerd kan worden met vragen aan jezelf. Het scherpt je opvattingen aan en relativeert je zogenaamde zekerheden. Je zoekt naar formuleringen en denkt net iets intensiever na over wat je nu eigenlijk zegt.
Echt, ik kan het aanbevelen:
ga eens met een ander in gesprek.
Zo sprak ik vandaag wat uitgebreider met de geestelijk verzorger van onze stichting. Hij is afkomstig uit een wat meer orthodoxe kerk en is met hart en ziel een gelovig mens. Hij kent mijn vrijzinnige achtergrond en we zijn in elkaars opvattingen geïnteresseerd.
We spraken over het christelijk geloof en de vergrijzing in onze samenleving.
Voordat u verder gaat op dit verkeerde been: hiermee bedoelden we dat het soms erg lastig is om uiting te geven aan je expliciete opvattingen, ook als deze voortkomen uit een diep geloven. Het alternatief is veelal een wat veiliger geformuleerd standpunt dat weinig tegenstellingen oproept: niet wit, niet zwart, maar grijs. Een soort laf gemiddelde, maar wel één waarmee de verhoudingen niet teveel verstoort raken.
Hij gaf aan dat in zijn opvatting christenen vanuit hun geloof wel een expliciete verantwoordelijkheid hebben in onze samenleving. Hij merkte mijn glimlach op. Ik legde hem daarop uit dat in de eredienst van het ApGen het al heel lang een goede gewoonte is dat in het afsluitende gebed aan de aanwezigen een opdracht wordt meegegeven. Deze kan op allerlei manieren worden verwoord, maar het komt er toch wel op neer dat de aanwezigen worden opgeroepen om het licht van de liefde in hun dagelijkse omgeving te verspreiden.
Ik had me dit nooit zo gerealiseerd, maar hij wees mij erop dat we binnen het ApGen dus nog wat verder gaan dan alleen een beroep op je verantwoordelijkheid. Hij voegde hier aan toe dat het in zijn kerk vaak veel meer gaat over jouw persoonlijke relatie met God, maar dat de leden van het ApGen dus verder gaan. Niet alleen de persoonlijke relatie met God, maar ook de manier waarop je dit laat zien de samenleving, is dus blijkbaar van belang.
Ik legde hem uit dat dit, naar mijn idee, te maken heeft met onze opvatting over God: niet een wezen die zich buiten ons bevindt, maar een kracht die zich in alles in de schepping manifesteert en wel op zijn krachtigst als liefdesmacht. Maar ook dat wij, in ons mens-zijn, dit alleen beleefbaar kunnen doen zijn door handen en voeten aan deze macht te geven. God is kwetsbaar, zoals Etty Hillesum al beschreef in haar dagboeken.
Zijn verrassende vraag was hoe ik dan aankeek tegen de grootsheid van God. Of bracht ik dit terug naar uitsluitend de intermenselijke relatie? Wat bleef er dan nog over?
Hij heeft natuurlijk gelijk. God is altijd weer groter dan je bedenkt. Steeds weer bedenk ik een beeld dat past in mijn eigen denkkader. Zou het zo zijn dat, doordat wij, naast onze persoonlijke relatie met God, ook die met onze medemens zo centraal stellen, ons zicht op God dreigen kwijt te raken?
zondag 10 november 2019
Een wazige spiegel
"Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ikzelf gekend ben. Ons resten geloof, hoop en liefde, maar de grootste daarvan is de liefde." (1 Korintiërs 13)
Ik vermoed dat velen deze tekst herkennen, ook als je niet direct een opvoeding compleet met de bijbel hebt gehad. Ze vormt het slotstuk uit een brief van Paulus aan de christelijke gemeente in Korintië waarin hij spreekt over de liefde.
Naar goed Apostolisch gebruik werd vanmorgen in de eredienst gemeld dat we tegenwoordig deze tekst wellicht anders zouden verwoorden. Als illustratie werd een afbeelding geprojecteerd waarop enerzijds elementen van de liefde werden benoemd die we vast zouden willen houden, zoals vertrouwen, aanvaarding, omarming en zo voort, maar anderzijds elementen die we zouden willen wegdoen ("in de versnipperaar"), zoals jaloezie, achterdocht en ga zo maar door.
Ik bleef hangen bij de wazige spiegel en realiseerde me dat de uitwerking door de voorganger van deze ochtend wel eens precies niet de spijker op zijn kop zou kunnen zijn.
Ik zal mij verklaren.
Als we spreken over de liefde, dan hebben we, althans ik, de neiging om de nadruk te leggen op aspecten die op een positieve manier bijdragen aan verbinding en die ons een "goed gevoel" opleveren. Dan hebben we het inderdaad over warmte, belangstelling voor de ander, mededogen, zorgen voor, en ga zo maar door. Op dezelfde wijze kan je ook naar God kijken en dan begrijp je vanzelf de intense teleurstelling als diezelfde (door ons bedachte) God kinderen laat sterven, oorlogen toestaat en mensen aan de macht laat komen die volstrekt kortzichtig op eigen belang en persoonlijk gewin uit zijn.
We weten ons geen raad met steeds weer die andere kant van dezelfde medaille.
"Nu kijken we nog in een wazige spiegel..."
Hoe realistisch is de gedachte dat we de aspecten die ook te maken hebben met de liefde, maar waar we ons geen raad mee weten, "in de versnipperaar" zouden kunnen stoppen? En bovendien, zijn deze aspecten per definitie "fout"?
Of "kijken we in een wazige spiegel...?"
Ik begin steeds meer tot de overtuiging te komen dat wij de liefde tot een soort onrealistische "roze wolk" hebben gemaakt. Iets wat waarschijnlijk niet zoveel meer te maken heeft met de liefde en een verwachting oproept die nooit realiteit zal kunnen worden. Zo ongeveer als dat we vrede zijn gaan uitleggen als een geheel ontbreken van oorlog. En daarmee deze droom over vrede tot een soort onrealistisch kindersprookje hebben gemaakt.
Dat volledig kennen, zoals ikzelf gekend ben, zou er wel eens over kunnen gaan dat we het lef krijgen om onszelf in de spiegel te bezien, maar dan ook met alles erop en eraan. Een diep doordrongen zijn van onze menselijkheid: onze trouw, maar ook ontrouw, ons vertrouwen en ons diepe wantrouwen, onze zorgzaamheid en ook onze achteloosheid of zelfs onverschilligheid.
Daar ligt misschien ook een perspectief voor de diepe verdeeldheid die we kunnen ervaren door het elkaar spijkerhard in (social) media veroordelen op gedragingen die we intens kunnen afwijzen en waar we (terecht) over walgen....bij de ander....
Want soms komt het zover dat we niets meer in handen hebben en geen idee hebben hoe het nu eigenlijk nog verder moet. Dat ons niets anders meer rest dan geloof, hoop en liefde....
En dat we ons realiseren dat de liefde (DIE) liefde de grootste is.
Dwars door je eigen pijn heen.
Dwars door je walging heen.
Dwars door je boosheid heen.
Omdat je ook jezelf hebt gezien in de spiegel...
Abonneren op:
Posts (Atom)





